Ik weet niet wat me bezielde en het moet echt een vlaag van verstandsverbijstering zijn geweest, maar ik kan op dit moment geen goede reden bedenken waarom ik een maand geleden gekozen heb voor 2 uur en drie kwartier op een roei-ergometer. Neemt niet weg dat ik na afloop, de billen buiten beschouwing gelaten, een meer dan tevreden gevoel had.
Het is eigenlijk begonnen met een weddenschap in september 2006. In plaats van binnen een paar maanden een paar kilo af te vallen, besloten mijn roeimaat en ik om deel te nemen aan de Nederlandse Kampioenschap Indoorroeien 2007. De verliezer zou een etentje voor vier personen betalen en de winnaar mocht het restaurant kiezen. Lees: restaurant De Librije in Zwolle of bijvoorbeeld restaurant Oud Sluis in Sluis. Het was kortom een weddenschap die je beter kon winnen. Ik heb het gelijk serieus aangepakt. Ik heb de hulp ingeroepen (en betaald) van Henk Jan Zwolle (HJZsports) en Theo Joosten (Nijmegen Atletiek). Het bedrijf van Henk-Jan heeft me begeleid en regelmatig gemeten, en indien nodig, het trainingsprogramma aangepast. Bij Theo Joosten (Nijmegen Athletiek) en Peter van Breet (Keep Fit, Fitness) heb ik andere dan de roeitrainingen gevolgd. Ook heb ik RowPro aangeschaft. RowPro is software waarbij je, via internet, verbonden bent met ‘weirdo’s’. Eigenlijk een gezelschapsdame voor vervelende lange duurtrainingen, maar dan anders. Mijn alternatieve trainingen voor de conditie hebben er ook voor gezorgd dat ik niet als een roeiende kluizenaar geëindigd ben. De goede begeleiding heeft ervoor gezorgd dat ik optimaal kon trainen, niet te veel, niet te weinig. De logbestanden van RowPro geven een goed beeld van je inspanning, en bij de periodieke metingen zie je het resultaat van de training en niet onbelangrijk: bij de meting zat ook een ECG. Ik trainde 13 van de 14 dagen. De trainingen bestonden uit kracht-, duur- en intervaltrainingen. In het begin van het seizoen vooral gericht op maximale kracht, uithoudingsvermogen en de ‘sixpack’ voor op het strand. Later in het seizoen werd de krachttraining omgezet naar spieruithoudingsvermogen en snelkracht, en zat er minimaal één intervaltraining per week in het schema. In de maanden voor de wedstrijden (OBIC, NIKR en HEK) vervielen de krachttrainingen en bestonden de trainingen uit ‘snelle’ (tempo 22-24, 1:56/500) en ‘langzame’ (tempo 18-20, 1:52) duurtrainingen, alsook korte (200 meters) interval- en duurtrainingen (7 x 5 minuten, 5 series). Alles gericht op 2 kilometer roeien. Na de wedstrijden bij het HEK wilde ik wel eens een marathon roeien en zag dat de NK Ergomarathon in maart geroeid zou worden. Vier weken lang heb ik lange afstanden geroeid (afwisselend 30 en 60 minuten). Twee weken voor de marathon roeide ik 30 kilometer om te bepalen wat mijn ‘kruissnelheid’ moest worden. Deze 30 kilometer vielen me erg mee; het eerste uur 2:00/500, tempo 26 en het tweede uur 1:55 met tempo 25. De week voor de marathon heb ik alleen op dinsdag 10 kilometer geroeid en voor de rest vooral gerust. De echte wedstrijd is toch anders. Kwam mijn hartslag tijdens de 30 kilometer niet boven 155, bij de start was deze goed voor 120 slagen. Ik ben waarschijnlijk de enige bij wie de hartslag eerst daalde bij het startschot… Het begin ging erg gemakkelijk, ik heb eerst 1:54 geroeid, waarschijnlijk door de rustdagen, totdat ik me na een paar kilometer realiseerde dat er nog zo’n 35 kilometer te gaan was. Uit vooronderzoek was gebleken dat met name de strijd om de derde plaats een interessante ging worden. Er waren vier deelnemers die 2:45 uur als eindtijd hadden opgegeven. Jaap Roosma ging voor 2:38 en Albert Kolk ging voor 2:39. Ik lag op een zesde plaats en had duidelijke instructies van Theo Joosten meegekregen: “Het eerste uur rustig roeien. Het tweede uur misschien iets opbouwen. De marathon begint bij 35 kilometer. Kijk dan maar wat je nog kunt!”. Duidelijk toch? Alhoewel niet alle muziek tot mijn favorieten behoorde, moet ik zeggen dat het toch aangenaam was om op muziek te roeien. Het is toch een stimulans. Met name het eerste uur was voor mij een kwestie van gewoon roeien. Ik zag dat ik stuivertje wisselde met Thierry Goursolle, totdat hij er met een tussensprint vandoor ging. Ik kwam hem later weer tegen toen hij meer dan gewone aandacht voor zijn kuit had. Het tweede uur was iets zwaarder, maar de gedachte dat de 30 kilometer goed was verlopen, speelde een positieve rol. Voor onderweg had ik voor iedere 5 kilometer een drankje meegenomen. Ik begon met proteïnen, voor zover ik nog zou kunnen herstellen, en voor het tweede gedeelte cafeïne, voor wat extra energie. De mengverhouding was oplopend gemengd. In het laatste 10 kilometer van de marathon gebeurde het een en ander (waarom hebben coaches toch altijd gelijk?). Ik zag dat snelheden van 1:50 terugliepen naar 2:05 en dat kramp en vermoeidheid een grote rol gingen spelen. Ik voelde wel dat er na 35 kilometer een algemene vermoeidheid optrad, die op dat moment niet omkeerbaar was. Zelfs even rustig roeien zette geen zoden aan de dijk. Het klassement werd op dat moment wel interessant. Door gewoon door te roeien zag ik dat ik inliep op mijn tegenstanders, dit stimuleert meer dan 20 schreeuwende coaches. Aan de andere kant voel je hoe je hele lichaam ‘op’ is. Een versnelling van een paar seconde per 500 meter kun je nog geen 2 minuten volhouden en je bent al heel blij als je op je oude snelheid kunt terugvallen. Het meest bizarre was de finish. Ik was blij dat ik gefinisht was (tweede) en voelde me ‘erg relatief’ goed. De ellende begon toen ik opstond en me wilde uitrekken. Ik wist niet dat je in zoveel spieren vermoeidheid en pijn kon voelen. Ik besloot meteen op de grond te gaan zitten, maar zitten moet je na een roei-ergomarathon drie dagen uit je woordenboek schrappen. Wees blij dat je kunt staan en lopen… Achteraf viel het conditioneel mee (“kon dus sneller” zei mijn coach…) maar ik moet nog een trainingsschema voor mijn bilspieren zoeken.Wilbert de Jong, 9 maart 2008.